Stel u voor: u heeft een ernstig conflict met uw buurvrouw. Zij vindt dat, uitgerekend het deel van uw tuin waar u de laatste maanden zorgvuldig een mooi en kleurrijk bloemenperkje heeft aangelegd, deel uitmaakt van haar eigendom. Ze zwaait niet alleen met de deegrol, maar ook met enkele oude kadastrale plannen die volgens u reeds lang gedateerd zijn en onmogelijk nog enige waarde in zich kunnen houden. Desondanks uw vele pogingen kan het buurgeschil niet minnelijk opgelost worden, nu de buurvrouw dagelijks en op agressieve wijze verwijten naar uw hoofd slingert.

Gevolg: ze spant een procedure aan voor het vredegerecht, welke plaatsvindt op 13 december. Het wordt wellicht haar ongeluksdag, denkt u, want de recentste kadastrale kaart geeft aan dat uw mooie bloemenperkje correct en binnen de perceelgrenzen werd aangeplant.

Vooraleer u de zittingszaal binnengaat, ziet u als bij toeval uw buurvrouw tafelen in een volle taverne, waar ze, samen met de vrederechter, nog net haar laatste warme croissant naar binnen werkt.

De zaak wordt behandeld, en het vonnis volgt na een week. Resultaat: uw bloemenperkje moet eruit, en wel onmiddellijk, want u verliest de zaak.

Hoe is zoiets mogelijk? U vraagt zich vervolgens af of uw buurvrouw en de vrederechter vóór de behandeling van de zaak één en ander zouden hebben bedisseld. Je weet het niet, en je kan het al evenmin bewijzen. Bovendien was die vrederechter toch zo vriendelijk op de zitting, en gaf hij geen blijk van vooringenomenheid.

Ten einde raad overlegt u met uw advocaat, die uw verhaal aanhoort en vrijwel meteen stelt dat zowel het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als de rechtspraak van het Europees Hof geschonden werden. Het Europees Verdrag, dat vorige week zijn 68e verjaardag vierde, kent immers twee soorten van ontoelaatbare partijdigheid: enerzijds de subjectieve partijdigheid en anderzijds de objectieve of ook structurele partijdigheid.

Uw advocaat legt u uit dat de eerste soort betekent dat er zich een feitelijke situatie heeft voorgedaan, waarbij de rechter zijn ongenoegen of vijandigheid jegens uw persoon heeft geëtaleerd, alvorens hij uitspraak heeft gedaan. Bijvoorbeeld: hij noemt je een lafaard, tijdens de behandeling van de zaak. Dit is een vorm van subjectieve partijdigheid.

De objectieve partijdigheid vereist dat het kader waarin de rechtspleging verlopen is, door haar structuur, een schijn van partijdigheid oplevert. Bijvoorbeeld: de vrederechter die vóór de zitting met jouw tegenpartij gaat ontbijten. Ook al kan je geen bewijs leveren van enige vorm van vijandigheid opzichtens uw persoon, staat het buiten kijf dat er onzekerheid bestaat over wat zij al dan niet onder elkaar zouden kunnen hebben afgesproken. Misschien praatten ze over een leuk aangelegde winkelstraat, of misschien werd er effectief, buiten uw aanwezigheid, over de zaak gesproken. Voor het Europees Hof maakt dit geen verschil uit en geldt het credo "Justice must not only be done, but must be seen to be done."

Delen

Niemand onder ons wil, wanneer hij verzeild geraakt in een juridisch conflict, te maken krijgen met onzekerheid over het feit dat zijn zaak niet onpartijdig wordt beoordeeld

Iedere rechtszoekende moet immers kunnen beschikken over een sluitende garantie dat een machtige autoriteit zoals een rechter volkomen onpartijdig een uitspraak kan doen over de zaak die bij hem aanhangig gemaakt werd. Dit is een basisregel, als het ware een krijtlijn die men nooit mag overschrijden. De rechtsregel wil namelijk de zwakkere rechtszoekende beschermen tegen de mogelijke willekeur of bevooroordeeldheid van een instituut met macht. Dit principe, vervat in artikel 6, behoort dan ook tot één van de meest fundamentele rechtsregels van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Stel u voor: een onderzoeksrechter, die misschien net zoals bij het voorbeeld van de vrederechter, de rechtvaardigheid hoog in het vaandel draagt en geen onmiddellijke blijk geeft van vooringenomenheid, krijgt een zaak onder zich waarin een partij betrokken is (in casu de KBVB), maar waarvoor diezelfde onderzoeksrechter in een andere functie, nog gewerkt heeft. Wanneer deze onderzoeksrechter vervolgens onderzoeksdaden moet stellen ten laste en ontlaste van deze partij, bevindt men zich in een structuur die ontegensprekelijk een zekere objectieve partijdigheid in zich draagt. En al zeker als die onderzoeksrechter een onderzoek moet voeren omtrent personen (zoals een scheidsrechter) die in een arbeidsrelatie staan met de KBVB.

Kortom, niemand onder ons wil, wanneer hij verzeild geraakt in een juridisch conflict, te maken krijgen met onzekerheid over het feit dat zijn zaak niet onpartijdig wordt beoordeeld. En om die onzekerheid te vermijden, kan men beroep doen op de bescherming die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens biedt.

En wanneer tot slot een deel van de publieke opinie op de advocaat schiet die terecht deze waarborgen uit de Europese wetgeving en rechtspraak inroept, lijkt er toch iets grondig mis te zijn met deze opinie. Zij heeft immers alle baat bij een rechtstaat waar de Europese regelgeving wordt gerespecteerd en waar de macht van bepaalde instituten in een absolute sfeer van onpartijdigheid functioneert.

Zo simpel is het.

Want niemand wil toch willekeur?

(foto portret Johan Martens)